Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

5 februari 2018

 

Architecten van Rotterdam
c/o Het Nieuwe Instituut
Museumpark 25
3015 CB Rotterdam

 

Beste Architecten van Rotterdam,

Wat betekent het voor u om een brief aan de burgemeester te schrijven?

Na het lezen van al uw brieven heb ik geen eenduidig antwoord op deze vraag kunnen vinden. Omdat de taak die u ontving is afgeleid van de lokale traditie van brieven schrijven aan de burgemeester van New York City, is het toepasselijk om eerst naar die stad terug te keren, en naar een specifieke historische periode, namelijk het moment dat de stad een transformatie onderging die nog uitgestrekter en grondiger was dan de Rotterdamse Woonvisie 2030, waar velen van u in uw brieven aan refereren.

Terwijl u deze brief leest, zou ik u graag willen vragen na te denken na over de vraag waarmee ik deze brief begon, alsmede over uw rol in de stad en uw relatie tot de burgemeester: bent u in de eerste plaats burger of architect? Bent u een ‘ontwerper van de stad’ die zich verhoudt tot de burgemeester zoals een bekwaam ambachtsman zich tot een potentiële beschermheer verhoudt? Het schrijven van brieven heeft altijd iets persoonlijks. En wie ben ik om u te schrijven, beste Architecten van Rotterdam? Welnu, ik ben uw collega, en uw medereiziger en net als u liefhebber van steden. We zouden vrienden kunnen worden of complete vreemdelingen kunnen blijven. Natuurlijk ben ik tevens een criticus van uw werk en een buitenstaander van uw beroep en uw stad. Graag wil ik u vragen, de volgende woorden te lezen met een idee over hoe we ons aan elkaar kunnen relateren, en hoe mijn verhalen aansluiten bij u en bij Rotterdam. Nu, om terug te keren naar New York:

Het Harlem Friendship House-dossier in het Schomburg-archief in New York bestaat uit honderden dunne, vierkante papiertjes die door de jaren heen vergeeld zijn geraakt en doorzichtig zijn geworden. Elk papiertje wordt op simpele wijze als “INFORMATION FORM” geïdentificeerd, geschreven in enigszins ongelijke hoofdletters, waarschijnlijk het werk van een versleten typemachine. De papiertjes zijn bedekt met blauwe of zwarte inkt of potlood, en met verschillende handschriften beschreven. Korte notities vormen samen een lange lijst van alledaagse onenigheden:

 

 

Zaak nr. 32
Datum: 10/8/’55

Adres: 66 West 133rd St.
Naam: Lewis, Charlene
Appartement nr.: 4E
Geplande inspectie: ochtend

  1. Eetkamerplafond valt op het moment van contact. Gat (5 voet diameter)
  2. Plafondpleister ligt op de grond in de kleine slaapkamer nabij de keuken. Ene helft ligt al op de grond, andere helft heeft losgelaten en valt bijna naar beneden.
  3. Keukenplafond in het voorste deel van de woonkamer ligt op de grond -- gevaarlijk
  4. Toilet, spoelbak buiten werking—doortrekken met emmer
  5. Sanitair in badkamer afgebroken—ontblote elektriciteitsdraden
  6. Rattenholen onder de wastafel in de badkamer, onder de tafel en radiator. URGENT

 

Terwijl ik het een na het andere briefje lees, ontvouwen zich korte, brute verhalen: Viola Heywood kan niet aan het touwtje in haar badkamer trekken om het licht aan te doen uit angst dat een nog groter gedeelte van het plafond naar beneden komt, dus gaat zij in het donker in bad. Wanneer een vrijwilliger Linnie Hinson’s appartement aan 453 Lenox Avenue bezoekt, staat zij oog in oog met een rat die zich een weg vreet door de plint aan de rechterkant van een keukenkastje. Rose Artis’ raam op de eerste verdieping kijkt uit op de bodem van een luchtschat vol met vuilnis waardoor zij te kampen heeft met “een zwerm vliegen en muggen en vieze lucht”. Dan McPherson, van 490 Lenox Avenue, Appartement 2, klaagt dat hij al twee keer beroofd is omdat zijn voordeur maar niet gerepareerd wordt. Fannie Freemans pasgeboren baby sterft aan bronchitis nadat Freeman haar een paar weken daarvoor mee naar huis heeft genomen, naar een appartement zonder verwarming en zonder warm water, ondanks haar veelvuldige smeekbeden aan het managementbureau.

Deze briefjes en verhalen werden tussen 1952 en 1955 verzameld door het Harlem Friendship House, een katholieke gemeenschapsorganisatie die reeds vijftien jaar in dezelfde buurt gevestigd was als veel van de mensen die klachten indienden. In deze periode was het Friendship House getuige van de ervaringen van hun buren in de handen van een nieuwe huisbaas, de particuliere ontwikkelingsmaatschappij Godfrey Nurse, Inc. Deze nieuwe, particuliere ontwikkeling maakte deel uit van ‘de stedelijke vernieuwing’, een 30-jarige periode tussen de jaren 1940 en 1970, waarin de US Federal Housing Administration de ontmanteling van arme wijken en arbeiderswijken in de binnenstad, met name zwarte wijken, bekrachtigde en financierde. Dit had tot gevolg dat particuliere ontwikkelaars en stadsagentschappen gebouwen konden slopen, privébezit in beslag konden nemen en burgers onder druk uit hun huis konden zetten, waarbij zij vaak gebruik maakten van de meest gewelddadige middelen.

Het hoofdkwartier van het Harlem Friendship House bevond zich jarenlang op 135th Street, tussen Lenox en 5th Avenue, in winkelruimtes die maakten dat werknemers en vrijwilligers betrokken bleven bij het dagelijks leven van hun buren. Toen de nieuwe huisbaas uitzettingsbevelen begon af te vaardigen en het hele blok sloopte, begonnen de leden van het Friendship House woningen te bezoeken om de leefomstandigheden van huurders vast te leggen. Het Friendship House verzamelde vier jaar lang informatie over de rechten van huurders en hielp buren met het schrijven van brieven en het indienen van klachten bij relevante stadsdiensten, met het doel huisbazen te dwingen de slechte leefomstandigheden van hun huurders aan te pakken. Dit is zo’n brief, gericht aan de burgemeester van New York, getypt uit naam van mevrouw Mary Copely, een bejaarde buurvrouw die uit haar huis in Harlem zou worden uitgezet:

 

6 september 1955
De Edelachtbare Robert F. Wagner
Burgemeester van New York City
Stadhuis
New York, New York

Edelachtbare:

Ik woon al 48 jaar in New York en ben geboren in de Verenigde Staten. Op 23 september a.s. word ik 70 jaar. Ik woon alleen en ik woon al 24 jaar in dit appartement. De buurt waar ik woon wordt momenteel gesloopt voor projectontwikkeling. De huisbaas heeft me twee of drie plekken aangeboden waar ik naartoe kon verhuizen, maar die lagen allemaal op de bovenste verdieping en ik was niet in staat de trap op te komen. En alleen maar omdat ik geen van deze plekken heb aangenomen, hebben ze me een ontruimingsbevel gestuurd waarin staat dat ik mijn huis aan het einde van de maand moet verlaten en dat zij mij anders op straat zullen zetten. Beste Burgemeester, edelachtbare, ik ben op zoek geweest naar een appartement. Ik kan geen enkel appartement met een lage huur vinden. Alles wat ik tegenkom is zo duur. Ik kan die hoge huur niet betalen. Geachte Burgemeester, geef mij alstublieft twee of drie kamers in een van de lage huur-projecten. Ik heb een uitkering en zit in de bijstand. Ik ben een zendeling en leef een zeer rustig leven. Ik zou graag hier in Harlem een plekje hebben, dichtbij mijn kerk. Ik woon al 48 jaar in Harlem.

Ik hoop per omgaande post antwoord van u te ontvangen. God Zegene U.

Hoogachtend,

Mevr. Mary Copeland
59 West 133rd Street
New York 37, New York

 

Toen ik door de brieven van de Rotterdamse architecten bladerde, gericht aan burgemeester Aboutaleb, kon ik alleen maar denken aan het pleidooi van Mary Copeland. Zij had zulke specifieke behoeftes: twee of drie kamers, lage huur, nabij haar kerk, niet zoveel trappen. Haar behoeftes konden voor elke architect in New York in die tijd, of welke andere tijd dan ook, gemakkelijk een duidelijke opdracht vormen. Denk ook aan de toon van mevrouw Copeland’s brief: de manier waarop ze haar burgemeester zo nadrukkelijk verzoekt de details van haar zaak te horen en antwoord te geven; hoe zij haar burgerschap van New York onderstreept; de manier waarop zij hem aanspreekt als ‘Your Honor’ [“Edelachtbare”], een formele variant van het meer informele “Yer Honner”, de manier waarop New Yorkers de burgemeester destijds aanspraken. Het is duidelijk dat Mary Copeland zichzelf beschouwt als lid van haar kerk, inwoner van haar specifieke buurt, en burger van New York, en dat zij de burgemeester vanuit die positie vraagt haar zaak te horen. Het is zijn taak om ervoor te zorgen dat elke burger fatsoenlijk onderdak heeft. Mary Copeland vraagt hem dan ook op bescheiden en vastberaden wijze zijn werk te doen. Wanneer ik de brief van mevrouw Copeland aan haar burgemeester vergelijk met de brieven van de architecten van Rotterdam, valt me direct op hoe de meeste brieven niet geschreven lijken te zijn uit naam van een burger die communiceert met zijn verkozen vertegenwoordiger en de rentmeester van haar stad, maar lijken op een pitch van een bekwame ambachtsman op zoek naar werk van een beschermheer.

Daarom vraag ik nogmaals: bent u, architecten, ook burgers van Rotterdam? Bent u in de eerste plaats architect? Of burger? Deze rollen geven verschillende relaties aan met de stad, de heersende klassen en haar inwoners, dus overweeg uw antwoord zorgvuldig.

Hier constateer ik nog een duidelijke overeenkomst tussen bijna alle architectenbrieven aan burgemeester Aboutaleb, namelijk dat de meeste schrijvers zich presenteren als ‘ontwerper van de stad’. Door uzelf te positioneren als ontwerper van de stad geeft u de architect een ‘klassieke’, ‘neutrale’ of ‘onschuldige’ rol, gerelateerd aan een anachronistische, holistische visie van zowel ‘de stad’ als ‘ontwerp’. Het wekt de indruk dat het architectenperspectief op de stad, op Rotterdam bijvoorbeeld, (nog steeds) helder en zuiver is, en dat architecten de macht hebben om die stad naar eigen vaardigheden en ideeën te transformeren. We weten echter dat het werk van veel architecten, net als ontwikkelaars en machthebbers, ingebed is in sferen van globaal kapitalisme. Zoals een Rotterdamse architect-vriend schrijft: “Ik ben nu bezig met een winkelcentrum in China. Ik ga nooit de stad in die ik aan het ontwerpen ben. Ik ben geen burger van die stad.” Het lijkt mij dat deze Rotterdamse architect beter een brief zou kunnen schrijven aan de burgemeester van die Chinese stad, of niet? Of beter nog, aan de inwoners van die stad! Die brief zou niet vanuit het grootse perspectief van de ‘stadsontwerper’ geschreven moeten worden, omdat de ontwerpvisie voordat het project van start ging al duidelijk vaststond: “Ontwerp een ruimte waar bezoekers een selfie willen maken.”

Mijn architect-vriend vervolgt: "Om je als burger te engageren, heb je tijd nodig. En tijd is schaars in de concurrerende internationale architectuur-business.” Deze architect voelt zich geen burger van Rotterdam hoewel zij daar al jaren wonen; zij voelen zich niet langer burger van de stad waar ze opgroeiden, en vanzelfsprekend zijn ze geen burger van de steden waar hun gebouwen oprijzen. Dit gebrek aan ‘burgergevoel’, een gevolg van de eisen van een precair leven in het globale kapitalisme, zou een reden kunnen zijn dat de brieven van de Rotterdamse architecten aan burgemeester Aboutaleb in mijn oogpunt zo verschillen van de brief van mevrouw Mary Copeland aan burgemeester Wagner van New York.

En nu, om terug te keren naar mijn allereerste vraag: wat betekent het om een brief aan een burgemeester te schrijven? Welnu, in New York, waar ik vandaan kom, betekent het vaak dat je jezelf ziet als burger van die plek, en dat je wilt dat je burgemeester begrijpt dat hij voor jou werkt omdat jij hem hebt verkozen. Het schrijven van brieven aan de burgemeester heeft in New York een lange geschiedenis. Het is daarom ook niet zo gek dat de Storefront for Art and Architecture dit, nu wereldwijde, brievenproject in New York lanceerde. De relatie tussen de burgers van Rotterdam en hun burgemeester is echter noch in formeel noch in informeel opzicht hetzelfde als de relatie tussen New Yorkers en hun burgemeester. Daarnaast is de relatie tussen de architecten en de steden waar hun ontwerpen worden gerealiseerd niet hetzelfde als de relatie tussen burgers en hun eigen steden. Dit kan de vreemde toon verklaren die voelbaar is in veel van de (doch niet alle) architectenbrieven: alsof de architecten nieuw werk pitchen of zich richten tot een publiek van andere internationale architecten. De brieven voelen niet lokaal, zijn niet gerelateerd aan de werkelijkheid van de inwoners van Rotterdam en de omstandigheden waarin zij vandaag de dag leven.

In de jaren 1950 ondernam het Harlem Friendship House een enorm project om de verwoesting van de huizen en de levens van hun buren vast te leggen en te pleiten voor betere huisvesting. In dit proces ontwikkelde de groep studenten, jonge katholieken, bezorgde burgers en vrienden zich tot een organisatie van deskundige stedenbouwkundigen. Zij stelden hun eigen rapporten over woonomstandigheden op en droegen alternatieve plannen aan voor de vernieuwing van hun wijken en communiceerden rechtstreeks met de burgemeester en de ontwikkelaars. Uiteindelijk werden bijna alle gebouwen in hun buurt in Harlem gesloopt, waaronder hun eigen huizen. Wat me opvalt zijn de manieren waarop het Harlem Friendship House handelde: ik kan me voorstellen dat u hier als architect, als u een betere burger van uw stad wilt zijn, van zou willen leren. Ze vormden samen met mensen één front, verloren net als hun buren hun huizen, leerden hoe je je ogen kunt openen voor wat anderen ervaren en leerden bovendien de taal van de machthebbers te spreken, als vrienden, als stedenbouwkundigen en als burgers van New York.

Hartelijk dank voor uw vriendelijke overweging van mijn kritiek, die ik schrijf in de hoop dat we betere vrienden zullen worden, voor elkaar en voor alle steden die we liefhebben en dienen.

Hoogachtend,

Dr. Adeola Enigbokan

Faculteit Sociologie, Universiteit van Amsterdam

Adeola Enigbokan

Adeola Enigbokan is een kunstenaar en stedenbouwkundige werkzaam in Amsterdam. Haar onderzoekspraktijk is gebaseerd op theorie en methoden uit de omgevingspsychologie, antropologie en historische studies. Ze doet onderzoek naar stedelijke ervaringen met architecten, ontwerpers, opvoeders en andere sociale onderzoekers in buurten van New York, Tel Aviv, Moskou, Sint-Petersburg, Beijing, Mexico City en Amsterdam. In Piece-Walk/Free Zone maakte ze een wandeling door New York's Garment District, gebaseerd op onderzoek naar de leefomstandigheden van kledingarbeiders tussen 1930 en 1980. Voor Under Construction/Working at the New Queens Museum ontwierp ze een participatieve publieke uitvoering op basis van acht weken werken met een curator, ontwikkelingsmedewerker en kunstenaar in het museum. Ze heeft een MPhil in Antropologie en Historische Studies van De Nieuwe School voor Maatschappelijk Onderzoek en een PhD in Environmental Psychology van de City University of New York, gebaseerd op haar doctoraatsattest, Archiving the City: A Guide to the Art of Urban Interventions. Ze doceerde aan The Department of Technology, Culture and Society, New York University. Momenteel doceert ze Urban Sociology aan de Universiteit van Amsterdam op undergraduate en graduate level. Haar geschrift verschijnt in het Journal of Urbanism, Cultural Geographies, The New Inquiry and Art and the Public Sphere.

Marina Otero Verzier, Marten Kuijpers, Michiel Raats
Eva Franch, Carlos Mínguez Carrasco
Arna Mačkić & Lorien Beijarts, Studio L A
Rudy Guedj
Arif Kornweitz
Sophia Seawell, Malique Mohamud
Yev Kravt
Rogier Goetze