Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Architecten beantwoorden misschien liever vragen dan ze ze stellen en doen dat ook vooral in deze brieven. Toch kunnen uit de teksten vijf centrale vragen worden gedestilleerd, met daarbij alvast korte richtlijnen die kunnen helpen bij de beantwoording. Deze zijn komen bovendrijven na het tweemaal beluisteren van alle brieven (die voor de tentoonstelling door het Nieuwe Instituut ook prettig als audiobestanden beschikbaar zijn gemaakt). Het Nieuwe Instituut verdient een pluim omdat het grotendeels vrouwelijke architecten heeft gevraagd de burgemeester aan te schrijven. Dit past in een groeiende beweging tegenover de masculiene retoriek (en praktijk) van architectuur, vastgoed en stedelijke ontwikkeling. Wellicht dat er daarom in de brieven dan ook een voor de architectuurwereld relatief lage dosis zelfetalering is te bespeuren.

De gemeenschappelijke toon van de schrijvende architecten is ongerust, maar er wordt gedacht in constructieve vergezichten. De ambitie en het optimisme zijn groot om van Rotterdam een internationaal voorbeeld te maken van een inclusieve, diverse, groene en circulaire metropool.

Over de huidige snelle ontwikkeling van Rotterdam zeggen de architecten dat veel veranderingen de stad niet ten goede komen. Groeiende ongelijkheid, de smerige havenactiviteiten, plannen om wijken sociaal op te ruimen door sociale huurwoningen te slopen, de autoverslaving, een tekort aan betaalbare werkruimte, een gebrek aan groen, inferieure architectuur en de verbroken verbinding met het water; allemaal dikke doornen in de ontwerpersogen. Veelgehoord is de aansporing om de fixatie op iconische architectuur los te laten, net als de stadsmarketing die hierop is gebaseerd. Burgemeester Aboutaleb sprak tijdens de tentoonstellingsopening over de bruisende magneet die de stad is en nog meer zou moet zijn. Hij vroeg de architecten deze te versterken. De briefschrijvers zien echter graag dat er eerst duidelijke ruimtelijke richtpunten worden geformuleerd waarlangs de stad zich gezond, sociaal en productief kan ontwikkelen, voordat stedelijke basiskwaliteiten verder in de knel raken door toenemende druk op de stad.

Hoe de stad zich dan wel snel en verantwoord kan ontwikkelen wordt in de brieven vurig beschreven, van technisch tot poëtisch. Ook worden veel voorbeelden genoemd die de stad al rijk is en die kunnen worden uitgebreid, aangevuld of gekopieerd.

De brieven vragen om meer, want ambities voor de stad als geheel worden te weinig verbeeld. Architecten worden doorgaans gevraagd om een plan voor een gebouw of een plek, die vervolgens zo spectaculair (of goedkoop) mogelijk wordt voorgesteld om de klus binnen te halen. Maar het is een heel andere uitdaging om de stad van morgen te verbeelden. Dat vergt een breder, meer politiek en genuanceerd beeld dan de sensationele digitale voorstellingen van individuele gebouwen. Een vergezicht voor de stad kan juist een hoop energie en aspiratie losmaken bij een breder publiek, dat nu voor discussies rond grotere vraagstukken moeilijk is warm te maken. Bovendien kan een politiek debat worden uitgelokt dat niet verzandt in kortzichtige tegenstellingen, maar gaat over gezamenlijke doelstellingen voor de komende 50 jaar.

Hoe wordt Rotterdam weer een toegankelijke stad waar diversiteit zegeviert?

Wonen is het meest genoemde probleem in de brieven. Het concept volkshuisvesting verdient een wederopbouw omdat er gebrek is aan betaalbare en geschikte woonruimte. Dat geldt zeker voor de laagste inkomens, maar niet alleen: voor veel architecten wordt de stad ook te duur en veel van hun hoogopgeleide en creatieve vrienden zijn al vertrokken.

Naast betaalbaarheid moet worden gedacht in andere woonvormen, voorbij de standaardhuishoudens. Er is ontwerp, beleidsovertuiging, regelgeving en innovatieve financiering nodig die plek maken voor collectieven, ouderen, jongeren, nieuwkomers, en verschillende (sub)culturen en inkomensgroepen. Daadwerkelijk innovatief en inclusief ontwerp kan ervoor zorgen dat Rotterdam straks ook nog als architectuurstad wordt gezien, wanneer iconische beeldconstructie passé is. Ook aan betaalbare werkruimte is grote behoefte. En als er gentrificatie plaatsvindt, hoe kunnen huidige bewoners zoveel mogelijk blijven zitten en zelfs meegenieten van de opwaardering? Verdichting en optoppen is op veel plekken een optie. Creëer zo nieuwe woningen en sloop of verkoop daarvoor geen betaalbare huizen.

De architecten vragen ook naar uitnodigende publieke ruimte die niet krampachtig vanuit veiligheid, hygiëne en consumptie is ingericht, maar waar allerlei mensen zich thuis voelen en een plek kunnen innemen. Liever gezelligheid dan camera’s tegen overlast, liever uitzinnig mooie bibliotheken dan prijzige markttempels als prestigeprojecten. Meer culturele diversiteit binnen gemeentelijke diensten kan ook zorgen voor een diverser idee van publieke ruimte en stedelijke ontwikkeling.

Hoe gaat Rotterdam duurzamer en productiever worden?

De haven moet onmiddellijk afkicken van fossiele brandstoffen en de rode loper voor auto’s kan worden teruggerold uit de stad. Dit is het moment om decennia vooruit te denken om kwesties als vervuiling, stijgende waterspiegels en robotisering het hoofd te bieden en te gebruiken als aanjager van economie, samenleving en ecologie.

De circulaire economie wordt door veel architecten genoemd: verander grondstofgebruik, verminder afvalstromen en zet afval weer productief in. Zorg voor meer productie, distributie en hergebruik op stads- en wijkniveau. De gemeente kan er bijvoorbeeld naar streven om zelf minstens 40% circulair in te kopen bij lokale bedrijven. Deze gedachte kan ook worden toegepast op energie en warmte, waarmee een voorbeeld kan worden gesteld en navolging aangemoedigd.

In plaats van vast te houden aan aflopende zaken uit angst voor verandering, kunnen werkgelegenheid, onderwijs, onderzoek, innovatieve economie en gedeelde trots juist profiteren van grote stappen richting de toekomst.

Op welke manier gaat de stad haar relatie met natuur en water herstellen om gezonder te worden?

Groen en water zijn met de tijd grotendeels uit de stad verdwenen. Grachten en ander water kunnen worden teruggebracht en direct contact met de Nieuwe Maas zou veel meer mogelijk moeten zijn.

Een beter netwerk van parken en groene wandel- en fietsstroken kan Rotterdammers en bezoekers lucht, beweging en fijne routes bieden. Hiervoor heeft de stad genoeg overbodig asfalt en bestrating dat kan worden geofferd. Veel van het stedelijk groen kan stadslandbouw worden, waarvan het onderhoud kan worden gedaan door groene ondernemers en tuinverenigingen. Die kunnen eraan verdienen en het functionele groen bijdragen aan bijvoorbeeld lokale voedselvoorziening, buurtverbindingen en onderwijs.

Hoe kan de wens van de burgemeester voor stedelijke co-creatie zoveel mogelijk worden gebaseerd op zelforganisatie?

Zonder belangrijke vangnetten en publieke functies af te schuiven op de maatschappij onder het mom van zelfredzaamheid, is er wel degelijk een wereld te winnen op het vlak van zelforganisatie. Bottom-up stadmaken, zoals het in correct urban speak heet, kan veel meer omvatten dan tijdelijke creatieve pop-ups die buurten aantrekkelijker (en minder betaalbaar) maken. Zelforganisatie, zelfbouw, gedeeld gebruik en collectief eigendom kunnen voorzieningen en gebouwen veranderen van winstinstrumenten in gemeenschappelijk goed. Rotterdammers kunnen hun stad mede vormgeven via bijvoorbeeld burgerbegrotingen, waar andere steden al mee werken. Meer gemeenschapswerk en minder marktwerking maken van stedelijke consumenten weer burgers en maakt hun plek in de stad zekerder, socialer en plezieriger. Sommige architecten doen een oproep om kraken weer toe te staan als tegenwicht voor de vastgoedwaanzin.

Wanneer krijgt Rotterdam een architectuurbeleid en een stadsbouwmeester?

Op de kwaliteit van de gebouwde ruimte – zowel individuele gebouwen als het stedelijk geheel – is veel kritiek. Veel wordt overgelaten aan de markt, die daarbij weinig richtlijnen krijgt. Een onafhankelijke stadsbouwmeester die de stad adviseert kan hierbij helpen, zeker nu er steeds minder ontwerpers voor de gemeente werken. Zij kan zich bovendien richten op de orkestratie van de verschillende ambities die de stad zich heeft gesteld en die ruimtelijk moeten worden vertaald.

De architectuurcultuur waar de stad bekend om staat, is sterk op zijn retour. Geef jonge architecten daarom weer de kans via open oproepen en door andere aanbestedingsregels te stellen. Ook kunnen betere kwaliteitseisen worden vastgelegd, voor publieke en maatschappelijke gebouwen als scholen, crèches en zorginstellingen, maar ook voor woningen en publieke ruimtes. Binnen hetzelfde budget en dezelfde omstandigheden kunnen gebouwen en plekken worden ontworpen met meer poëzie, creatieve ambitie, menselijkheid en aandacht voor de lokale cultuur, omgeving en geschiedenis. Selecteer meer op die criteria en niet alleen op het getal onder de streep, dat levert een betere stad op die langer meegaat.

P.S.: Denken we aan Zuid?

En niet alleen vanuit reflexen van crisismanagement en sociale opwaardering. De benedenstad is niet benedenmaats – haar huidige bewoners verdienen ook werk, prettige wijken, goed onderwijs en voorzieningen voor cultuur.

Mark Minkjan

Mark Minkjan (1986) heeft een specifieke interesse in de wisselwerking tussen de maatschappij en gebouwde omgeving. Hij studeerde stadsgeografie, sociologie en economie aan de Universiteit van Amsterdam. Binnen Non-fiction werkt Mark aan programma's, redactionele inhoud, onderzoek en meer. Hij is hoofdredacteur bij Failed Architecture. Voor The Guardian is hij een 'leading independent urban voice' in Amsterdam. Mark draagt bij aan tal van media, onderzoeksprojecten, debatten en evenementen. Voor 2015/16 ontving hij een talentenontwikkelingssubsidie van het Fonds Creatieve Industrie.

Marina Otero Verzier, Marten Kuijpers, Michiel Raats
Eva Franch, Carlos Mínguez Carrasco
Arna Mačkić & Lorien Beijarts, Studio L A
Rudy Guedj
Arif Kornweitz
Sophia Seawell, Malique Mohamud
Yev Kravt
Rogier Goetze